De dag waarop de muziek stierf |
1064 views | ||
| door Jurojin op vr. 30 apr. 10 om 18:52 | |||
|
');
// --> Blog/kortverhaal gebaseerd op 'The Script - The man who can't be moved' De dag waarop de muziek stierf Wat is muziek? In muziek moet je geloven. Het heeft een sterk onderschatte waarde als tegenpool van de stilte. Het kan de meest uiteenlopende emoties uit je doen vloeien. Het kan je doen springen van geluk, of huilen van weemoed. Tot je smelt. Muziek is een geloof. En stilte dan? Is stilte een gebrek aan geluid? Neen. Stilte is geen gebrek aan iets. Stilte is zelf een geluid. Stilte kan zo sterk zijn dat het je snijdt. Het neemt je bij je nekvel vast en sluipt stilletjes naar omhoog, totdat de haren in je nek rechtop gaan staan. Dan snijdt het zachtjes in je trommelvlies, en laat het je oren suizen. Stilte kan je voelen, als een dikke laag mist die altijd aanwezig is, maar niet steeds even zichtbaar. Als een alligator die hongerig maar geduldig wacht, tot het perfecte moment gekomen is om toe te slaan. Stilte kan luider zijn dan het sterkste geluid. Muziek is een geloof. Stilte is een gevoel. Gelooft u me niet? Sta me dan toe u het verhaal te vertellen van de dag waarop de muziek stierf. Er was iets eigenaardigs aan die man, je merkte het onmiddellijk als je hem zag. Zijn verbitterde ogen die als voor dood in zijn oogkassen lagen staarden onophoudelijk de lege verte in, en zijn halflange grijze haren plakten tegen zijn bezwete voorhoofd. Als je hem in de ogen keek, keek hij nooit terug. Hij keek door je, gevoelloos. Een versteende blik. In zijn rechterhand hield hij stevig, bijna obsessief, een klein papiertje vastgeklemd. Niemand wist wat erop stond. De eenzaamheid kon je op zijn gezicht aflezen alsof het er in sierlijk krullende letters op geschreven stond. Je wendde snel je ogen af als je wist dat hij je blik voelde. Op zijn gezicht droeg hij een haast onzichtbaar masker, als een dun vlies tussen hem en de wereld. Als een donker dreigend deken dat het denken en doen van de man vertroebelde. Verdriet. Zijn slome bewegingen, zijn trage ademhaling. Zijn adem stokte. Herinneringen aan vroeger, als een masker van verdriet. Het woord tijd had hij samen met de woorden trots en levenszin uit zijn gedachten verwijderd, zoals je het geheugen van een computer of een gsm wist. Vroeg of laat, dag of nacht, het had allemaal geen betekenis meer. Hij had zijn volledige interesse in de mensheid verloren. En omgekeerd. Niemand luisterde naar hem, niemand wou het verhaal horen van de man die op een dag besloten had zich op de stoep aan de kant van de straat neer te vleien en niet meer op te staan. Nooit meer. Hij hield ervan ’s nachts naar de stad te luisteren. De stilte die er heerste, maar toch het geluid. Geen getoeter van auto’s, geen krijsende sirenes, geen blaffende honden of ruziënde buren. Maar toch geluid. Alsof de stad stilletjes snurkte. Die stilte maakte hem weemoedig, en weekte diep weggestoken gevoelens uit hem los, zoals je een postzegel van een brief ontfutselt met warm water. Deze man laat je weken in duisternis en stilte. Resultaat? Zijn verhaal. Hij zou dan al zijn geheimen toevertrouwen aan de nacht, hopend dat de wind zijn woorden optilt en ergens ver weg een ziel ontroert. Zijn zachte snikken doorbrak dan het snurken van de nacht, en de maan deed zijn tranen glanzen als fonkelende edelstenen. Alsof hij sterren huilde. Het werd stilaan ochtend. De pasgeboren zonnestralen flirtten speels met zijn gerimpelde huid, maar de man lette er niet op. Hij had zijn aandacht gevestigd op een ander persoon die zijn richting uit kwam gewandeld. Verbaasd keek hij op toen de man in het donkerblauwe uniform voor hem stond. De politieman vertelde hem dat hij niet zomaar aan de straatkant mocht wonen. Hij moest dringend vertrekken, een huis zoeken. Omdat de man niet antwoordde draaide de politieman zich terug om en vertrok weer. Na enkele passen gezet te hebben draaide hij zich opnieuw richting de man. ‘Waarom zit je hier eigenlijk? Je lijkt me niet meteen het type dat te arm is om zich een huis te veroorloven.’ De onderlip van de man begon te trillen. Zijn ogen glansden zodat de zonnestralen erop in scherven uiteenbraken zoals een ondergaande zon dat kan doen op een zacht kabbelende zee. ‘Eindelijk.’ zei de man, ‘Eindelijk vraagt iemand naar mijn verhaal.’ Stap voor stap begon hij zijn geheim te ontsluieren. Om te beginnen ontvouwde hij het papiertje dat hij in zijn rechterhand vasthad, en hij stak traag trillend zijn hand uit richting de politieman. Hij nam het aan en bekeek het ernstig. ‘Een mooie vrouw.’ ‘Neen. Ze was niet mooi. Mooi is een belediging voor de schoonheid die ze vertoonde. Ze was prachtig. Zo prachtig dat zelfs de meest glanzende sterren aan de hemel bloosden wanneer zij zich vertoonde, wetende dat zij nooit zo’n schoonheid als de hare zouden bezitten. En haar stem. Oh mijn God, haar stem. Zulke mooie klanken dat zelfs de vogels hun mooiste gezangen abrupt stopten om haar te aanhoren. Zo overweldigend was haar stem, dat zelfs in de winter de bloemen spontaan hun zomerse schoonheid ontloken en trots hun kleurrijke bladeren vertoonden bij het beluisteren van haar stemgeluid. Zo mooi zong ze, dat je sterren huilde.’ ‘En wat heeft dit met de situatie hier te maken? Wat doe je hier zo alleen aan de straatkant?’ ‘Vroeger was ze van mij. En ik was van haar. Althans, dat dacht ik. Op een ochtend was ze verdwenen. Ze deed de laatste tijd wel wat raar, misschien had ik het moeten zien aankomen. Misschien ook niet. Telkens als ik er een vraag over wou stellen, plukte ze behendig met haar lippen de woorden uit mijn mond, en lachte ze lief. Daarna kon enkel nog een slaafs ik hou van je fluisteren. Mensen die haar kenden zeiden dat ze waarschijnlijk al lang dood is. En als ze nog leefde, zou ik haar nooit voor mij kunnen gehouden hebben. Ze was te hoog gegrepen voor me. Dit verhaal geloofde ik niet. Ik weet dat ze hier ergens nog rondloopt, dat ze nog leeft. En daarom ben ik hier. Dit is de plaats waar we elkaar voor het eerst ontmoet hebben. Dus als ze op een dag plotseling beseft dat ze me mist, dan weet ik dat ze naar hier zal komen. Dit is de eerste plek waar ze me zal gaan zoeken. Daarom mag ik deze plaats niet verlaten.’ ‘Maar waarom ga je niet gewoon verder met je leven? Vergeet haar toch!’ ‘Hoe kan ik verdergaan met mijn leven als zij mijn leven is?’ Er viel een korte stilte… ‘En hoe overleef je dit alles? Ik bedoel… hoe geraak je aan geld? En aan eten? Hoe verwarm je jezelf in de winter?’ ‘Ik heb dat allemaal niet nodig. Het lichaam van een mens heeft maar 2 dingen nodig om te overleven; Ten eerste heb je wilskracht nodig. Wilskracht is je benzine. Het voedt je, houdt je sterk, geeft je dat laatste beetje hoop. Daarnaast is er liefde. Dit houdt je hart pompende en verwarmt je lichaam. Het zorgt ervoor dat het bloed in je aders niet bevriest gedurende de winter.’ Met emoties overspoeld door dit tragische verhaal ging de politieman traag slenterend weg, in gedachten verzonken. Zonder ook maar één woord te zeggen. Het was nacht en de man lag te slapen, zachtjes woelend. Een bitterzoete droom overviel hem. Een droom die zo echt leek, dat hij haar ritmisch kloppende hartslag bijna kon voelen. In gedachten streelden zijn vingers traag door haar haren, haar ademhaling als een warm deken in zijn nek. Hij kuste haar bloedrode lippen. Ze neuriede stilletjes. Hij liet zich meeslepen op de azuurblauwe zeegolven van haar prachtige stem en voelde zich gelukkig. Hij kwam dichterbij en ademde diep in, hopend de honingzoete geur van haar lichaam opnieuw te mogen ontdekken. Met een harde klap werd hij met de realiteit geconfronteerd toen de zware stadslucht zijn neusgaten binnendrong. Hij was alleen. De zomer kwam stilaan aan zijn einde. Het verhaal van de man had zich snel over de stad verspreidt, en hij kreeg steeds meer en meer reacties van voorbijgangers. Sommigen wilden hem geld of voedsel geven, maar ze begrepen hem gewoon niet. Een gebroken man heeft geen nood aan voedsel. De wilskracht is zijn benzine. Vriendelijk knikkend wees hij de behulpzame gebaren af, en hij zonderde zich weer af in zijn eigen wereld. Het werd elke dag kouder, en de man steeds grijzer. Niet letterlijk grijzer, niet van kleur, maar van uitdrukking. Beeld je zonnestralen in die gebroken worden door regendruppels in de lucht. Dit vormt een prachtig kleurenspectrum, de regenboog. Verander nu al deze prachtige kleuren in tinten van grijs. Dat was het gevoel dat de man je gaf. De koude van de winter had het stadsbeeld sterk veranderd: overal bevende lichamen die zich verwarmden aan een kachel, mensen als ratten verscholen in de pels van hun dikke winterjassen, lijkbleke gezichten en spierwitte straten en gebouwen. Het leek wel alsof iemand een grote witte pot verf over de stad had gegooid. Dit bracht niet enkel een mooi uitzicht met zich mee, ook de koude begon de man te treffen. Zijn blauwe lippen trilden terwijl hij zich tevergeefs probeerde op te warmen aan zijn eigen lichaamstemperatuur door zijn armen als een deken om zich heen te slaan. Een man heeft geen warmte nodig. Liefde houdt hem warm. Maar wat als de hoop zachtjes uit je lichaam sijpelt en de liefde met zich meeneemt? De bijtende kou zoog voorzichtig het leven uit de man. Traag. Met elke windstoot net iets meer. Na enkele weken in de winter werd een duidelijk verschil in de houding van de man zichtbaar. Zijn neerhangend hoofd en zijn trieste blik lieten blijken dat het laatste streepje hoop van de man bevroren was. De warmte had zijn lichaam verlaten in de vorm van damp, die telkens als hij uitademde traag dansend uit zijn mond kwam, zachtjes kringelend als sigarettenrook. Hij ging op zijn rug liggen. De liefde was er niet meer om zijn hart kloppende te houden, de wilskracht evenmin. Hij had het leven opgegeven, het leven had hem opgegeven. Hij wist dat hij zou sterven. Morituri te salutant. Opnieuw een slachtoffer van de strenge winter, of opnieuw een slachtoffer van de liefde? U beslist. Hij sloot zijn ogen. Een sterretje op zijn wang bevroor en nam de vorm aan van een ijskristal. De winter groeide over hem heen, als woekerende diamanten. De strenge nacht had voor hem geen genade. Hij lag te luisteren naar hoe de stad zachtjes in- en uitademde, tot hij zelf zijn laatste adem de nacht in stuurde, en zijn laatste woorden boven zijn lippen bevroren. ‘Dit is de dag waarop de muziek sterft.’ En nooit meer werd er in de stad nog één noot gezongen. Muziek is een geloof. Stilte is pijn. Gelooft u me? |
|||
Tags: muziek, script, blog, kortverhaal |
|||








